Tweeënvijftig

Dacht hij dat ik dat niet had geprobeerd?

Door de jaren heen had ik van alles en nog wat gedaan om met mijn ouders in gesprek te gaan over wie ik was, hoe ik me voelde, wat ik nodig had en miste.

Na mijn diagnose gaf ik mijn ouders op aanraden van mijn psycholoog twee verschillende boeken. Mijn vader kreeg een informatief boek. Mijn moeder een boek in romanvorm.

Zij: Hier, we hebben de boeken gelezen.
Ik: Oh wat fijn, bedankt. Wat vonden jullie ervan?
Zij: Ja, uh, interessant wel.
Ik: Hebben jullie er vragen over?
Zij: Nee.

Daar eindigde het gesprek. Ik was verbijsterd. Na tien jaar zoeken, had ik het antwoord gevonden. Ik had autisme. Hoe konden ze nou niets te zeggen hebben?

Ik vertelde ze over mijn leven, waar ik tegenaan liep, maar nooit voelde ik me echt gesteund. Ze luisterden wel, maar het bleef stil of ik kreeg terug hoe naar ze het voor me vonden, wat ervoor zorgde dat ik dacht dat ik mijn ouders alleen maar een rotgevoel gaf en tekortschoot als dochter.

Ik schreef een brief waarin ik uitlegde hoe ik me voelde. Dat ik ervan baalde dat het thuis zo ongezellig was, dat het me verdriet deed en ik het jammer vond dat zij geen initiatief toonden. Het enige wat mijn vader erover zei voor zijn blik weer naar de tv ging: “Ik vind dat moeilijk.” Met andere woorden: je mag het niet van me verwachten, ook al heb je het nodig, en ik heb niet in de gaten dat het waardevol zou zijn als ik je kon uitleggen waarom niet.

Ik nodigde ze uit voor een bioscoopbezoek, vertelde ze over series en documentaires op tv, nam mijn moeder mee naar een theatervoorstelling, themabijeenkomst en congres rond autisme.

Wat ik ook deed, het veranderde niets.

Scroll naar boven