Vijftig
Poging 4
Ik was al ziek, probeerde te re-integreren.
De kennismaking met mijn nieuwe aanspreekpunt.
Hij nam meteen het woord:
‘Hallo, ik zal me even voorstellen, mijn naam is xxx. Ik werk al mijn hele leven bij deze organisatie en ik heb deze leidinggevende functie, wat inhoudt dat ik dit en dat doe. Volgend jaar mag ik met pensioen. Ik ben getrouwd, heb kinderen, waarvan er een ook autisme heeft, net als jij. Ik heb ook twee kleinkinderen. Ze heten xxx en xxx en zijn zoveel jaar oud. Samen met mijn vrouw pas ik een keer in de week op. Ik dacht dat het niets voor mij zou zijn, maar ik geniet er volop van. In mijn vrije tijd ben ik actief binnen deze vereniging. We treden regelmatig op door het hele land.’
Voor me zat een zelfverzekerde man met een indrukwekkend verhaal. Hij straalde geluk uit en vertelde trots wie hij was en wat hij in zijn leven had bereikt. Terecht. Ik zou er ook trots op zijn geweest.
Terwijl ik luisterde, voelde ik hoe de spanning zich vanbinnen opbouwde. Zometeen was ik aan de beurt. Hij vertelde zijn verhaal met een vanzelfsprekendheid die me deed krimpen. Zelfs toen voelde ik al dat mijn verhaal niet onder deed voor dat van hem, maar ik bleef niet overeind. Het lukte me niet om zelfverzekerd te staan voor wie ik was. Ik vond het moeilijk in een wereld waarin de reacties die ik kreeg voornamelijk bestonden uit ongemak en weerstand.
Dapper nam ik het woord:
‘Mijn naam is Ilse, ik ben 33 jaar, woon wegens omstandigheden nog in een studiootje. Ik heb dit gestudeerd, maar dat werk bleek niet passend voor mij. In mijn vrije tijd ben ik het liefst creatief bezig en wandel ik graag.’
Met een twinkeling in zijn ogen vroeg hij of ik een vriend had. (Of een vriendin, daar deed hij niet moeilijk over.) Ja, want dat was me natuurlijk even ontschoten, dat er thuis iemand op me wachtte die van me hield. Nee, ik had het bewust weggelaten. Ik wilde er niet over praten; het lag gevoelig. Fijn dat hij het toch even ter sprake bracht.
Ik mocht van mezelf niet boos of geïrriteerd zijn, want hij kon het niet weten.
Ik leerde toevoegen: ik ben alleenstaand en voor nu vind ik dat prima.
Waarom wordt er vrijwel altijd gevraagd naar de stukjes die zogenaamd ontbreken? Waarom wordt er niet doorgevraagd op iets waar ik trots op ben, zoals mijn creativiteit?