Eenentwintig

Ik had beschermd moeten worden. Ik was psychisch kwetsbaar, had pas net voldoende kracht opgebouwd om weer stappen richting mijn toekomst te zetten, maar niemand had oog voor mij.

Ik kwam in een situatie terecht waarin mijn grenzen grof werden overschreden.

Het werk van mijn ouders begon ‘s nachts, wat betekende dat ik alleen met oma in huis zou zijn. Ik vertelde mijn ouders dat ik die verantwoordelijkheid niet wilde. Toen mijn moeder ontdekte dat oma kanker had, had ze moord en brand geschreeuwd dat er geen ambulance gebeld mocht worden en ze niet naar het ziekenhuis ging. In die situatie wilde ik niet terechtkomen. Wat moest ik dan? Toekijken hoe oma doodbloedde? Toch 112 bellen en de reactie van oma incasseren? Het antwoord van mijn ouders: “Jij bent niet verantwoordelijk.” Daar moest ik het mee doen. 

Mijn gevoelens deden er niet toe.

Ik voelde me thuis niet meer thuis. 

Oma maakte voortdurend ruzie met mijn moeder en de lieve verpleegkundigen van de thuiszorg die haar kwamen verzorgen. Het was niet om aan te horen. 

Het huis stond vol verband en het rook er ook naar. 

Oma’s ziekte was er altijd en overal. 

Op de gekste momenten stond ze opeens voor mijn neus en deed dan alsof er niets aan de hand was. Een bleke, magere vrouw die overduidelijk doodziek was, zei tegen me: “Jou heb ik al een tijd niet gezien, hoe gaat het met je?” Was nou serieus de verwachting dat ik het spelletje mee zou spelen, goed zou antwoorden om vervolgens te vragen: en met jou? Ik kon het niet.

Ik ging er emotioneel aan onderdoor.

De onzekerheid. Wat had oma precies? Hoe ernstig was het? Hoelang ging het nog duren? 

Ik had met mijn ouders te doen; voor hen was de situatie zwaar. Ik wilde er voor hen zijn, terwijl ik tegelijk woedend was omdat niemand oog had voor mijn welzijn en toekomst. 

Als kind had ik een goede band met oma gehad. We hadden samen koekjes gebakken, armbandjes gemaakt en Samson en Gert gekeken. Hoe nam je afscheid van iemand die beweerde dat er niets aan de hand was? 

[…]

Scroll naar boven