Honderddrieëntwintig
Toen ik ongeveer een maand ziek was, vroeg ik aan mijn jobcoach of ik binnenkort voor een gesprek met de bedrijfsarts zou worden uitgenodigd. Hij meende van niet, maar zou het navragen. Ik drong erop aan dat ik er deze keer echt niet door overvallen wilde worden. Geen verrassingen meer.
Hij kwam er niet op terug, dus een week later vroeg ik zelf weer of ik een uitnodiging kon verwachten. Nee was het antwoord. Ik vond het gek, want ik dacht toch echt dat het wettelijk verplicht was, maar goed.
Weken later werd ik, terwijl ik na een korte werkdag uitgeput op de bank lag, toch onverwacht door de bedrijfsarts gebeld. Ik ontplofte. Ik was zo kwaad dat ik niet in staat was op te nemen. Ik had mijn behoefte werkelijk niet duidelijker kunnen verwoorden: vertel het me zodra ik ben aangemeld bij de bedrijfsarts. Ik heb tranen met tuiten gehuild. Het voelde alsof er een middelvinger naar me werd opgestoken. Bekijk het maar met je behoeften Ilse.
Nadat ik wat tot rust was gekomen, belde ik de jobcoach om te vragen of hij ervan op de hoogte was geweest. Nee, dat was hij niet. Hij kon zich ook niet voorstellen dat de werkgever het in gang had gezet. Misschien had het UWV me aangemeld? Ik wist niet hoe snel ik moest ophangen. Wat een onzin. De werkgever was verantwoordelijk voor mijn re-integratie, niet het UWV.
Tijdens een gesprek met mijn psycholoog, jobcoach en aanspreekpunt vertelde ik emotioneel dat het voelde alsof ik zonder pardon met rolstoel en al van de trap af was geduwd. Mijn beperking was misschien onzichtbaar, maar dat betekende niet dat iedereen maar kon doen alsof mijn behoeften niet bestonden.