Honderdnegentien

De eerstvolgende werkdag voelde ik dat de sfeer was omgeslagen. Niemand zei iets. Onzeker vroeg ik me af of ze de e-mail hadden gekregen. Of gelezen. Tegen het einde van de werkdag was mijn spanning zo hoog opgelopen dat ik al mijn moed bij elkaar raapte en zelf vragen begon te stellen.

Mijn woorden bleken verkeerd begrepen te zijn. Er werd gedacht dat alles wat tegen me werd gezegd ervoor kon zorgen dat ik een poging zou doen. Ik was verbijsterd. Hoe waren ze in vredesnaam tot die conclusie gekomen?

Het was helemaal niet mijn bedoeling geweest om onrust te veroorzaken. Ik had alleen duidelijk willen maken dat ik verschillende stressniveaus had en op mijn werk ondertussen zoveel stress ervaarde dat de kans op code rood tot mijn grote verdriet steeds reëler werd. Want ondanks dat ik had geleerd op tijd bij te sturen, was mijn werkplek nog steeds zo onvoorspelbaar dat ik vermoedde dat het niet altijd meer haalbaar zou zijn. Daarvoor moest mijn spanning flink omlaag en daar had ik hun medewerking voor nodig. Ondertussen was het ergste wat er kon gebeuren dat ik onverwacht naar huis moest om goed voor mezelf te zorgen. Meer was er niet aan de hand.

De directeur was heel direct, waar ik hem dankbaar voor was, want hoeveel pijn zijn woorden ook deden, ik wist tenminste waar ik aan toe was. Hij vond het egoïstisch dat ik het had gedeeld. Ik zou hem namelijk met een enorm schuldgevoel hebben opgezadeld als hij iets tegen mij had gezegd en de volgende dag het telefoontje was gekomen dat ik er niet meer was. Hij leek oprecht verontwaardigd. Als ik er goed mee had leren omgaan, waarom had ik hen dan niet in onwetendheid kunnen laten?

Scroll naar boven