Honderdvier
Ik had drie maanden recht op een werkloosheidsuitkering. Drie maanden om een nieuwe baan te vinden. Daarna volgde de bijstand, maar daar had ik pas recht op als ik een deel van mijn spaargeld had ingeleverd. Ik probeerde er zo rustig mogelijk onder te blijven, maar vanbinnen overheerste paniek. Ik wilde niet nog kwetsbaarder in het leven komen te staan dan ik al stond.
Met alle teleurstellende ervaringen die achter me lagen, had ik eigenlijk hulp nodig. Iemand die me hielp verwerken wat er was gebeurd en samen met mij zou kijken wat een passende volgende stap was. Jobcoaching. De ironie was dat ik die hulp pas kon aanvragen als ik al een baan had gevonden.
Voorlopig moest ik genoegen nemen met hulp van het UWV. Hulp die ik als niet-helpend ervaarde, wat ik uit angst voor onbegrip en verlies van mijn uitkering niet durfde te zeggen. Ik had weliswaar een vast aanspreekpunt, maar zij bracht me steeds in contact met andere mensen die geen idee hadden wie ik was.
Dan ging mijn telefoon en werd me bijvoorbeeld gevraagd: “Zou je voor deze gemeente willen werken?” Stamelend probeerde ik dan te antwoorden. Voor mij was het namelijk geen simpele ja-neevraag. Om tot een antwoord te komen, vulde mijn hoofd zich met vragen als: om welke functie ging het? Voor hoeveel uur per week? Was het mogelijk rekening te houden met mijn behoeften? Etc.
Het was vermoeiend om iedere keer kort opnieuw mijn verhaal te moeten doen. Met de beste bedoelingen werd er oppervlakkig met me meegekeken. Daar was ik niet mee geholpen.