Honderdzesentwintig

Ik kon het niet meer opbrengen om ze een laatste keer onder ogen te komen.

In plaats daarvan raapte ik al mijn moed bij elkaar, stopte mijn toegangspas en de sleutel van mijn kluisje in een envelop die ik samen met een afscheidsboodschap voor de collega’s achterliet bij de receptie. Ik maakte een foto, appte die naar een leidinggevende en daar eindigde het voor mij.

De leidinggevende reageerde niet op mijn app.

Mijn aanspreekpunt liet niets meer van zich horen.

Ik had geen idee of de collega’s de boodschap hadden gekregen.

Het gaf me het gevoel dat ik er nooit had gewerkt, niet had bestaan.

Mijn jobcoach trok zich terug door te zeggen dat ik maar goed moest uitrusten en zelf maar contact moest zoeken als ik eraan toe was.

Daarna bleef het een maand stil.

Om het af te sluiten stuurde ik hem een korte e-mail, waarin ik aangaf dat ik geen gebruik meer wenste te maken van zijn diensten. 

Hij antwoordde dat het goed was om van me te horen en dat hij hoopte dat ik beetje bij beetje zou herstellen. Een reactie waar ik nog steeds een misselijk van word. Hij stond geen moment stil bij hoe het zover had kunnen komen.

Mijn psycholoog was niet te spreken over de gang van zaken. Ze stuurde de werkgever en jobcoach een e-mail waarin ze hen dringend verzocht geen werkplekken te bieden aan werknemers met een autismeprofiel zolang er niet in hun basisbehoeften kon worden voorzien. 

Zo ervaarde ik voor het eerst hoe het voelde als iemand écht voor me opkwam.

Scroll naar boven