Achtenzeventig
Er werd me verteld dat mijn aanspreekpunt nog niet beschikbaar was. Hij zou binnenkort met pensioen gaan, moest eerst nog wat vakantiedagen opmaken, maar zou daarna als mijn aanspreekpunt gaan fungeren, omdat hij toch nog wat wilde blijven werken.
Uh, oké?
Er was uiteraard een vervanger geregeld die maar bleef herhalen dat hij niet mijn vaste aanspreekpunt was, want dat ging niet samen met zijn functie.
Uh, oké?
Mijn aanspreekpunt bleek niet op dezelfde afdeling te werken als ik. Sterker nog, hij was meestal werkzaam op een andere locatie, in een andere stad. Hij zou eens per week langskomen voor een gesprek en tussendoor kon ik hem bellen als er iets was. Hadden ze dat even mooi opgelost – zonder met mij te overleggen.
Het werkte natuurlijk geweldig goed:
“Hallo, ik heb een vraag over dit audiofragment. Ik twijfel over wat er wordt gezegd. Kun je even meeluisteren?”
Nee, want hij had geen toegang tot de audio.
Maar, hey, niet getreurd, ik kon het gewoon aan een collega op de afdeling vragen!
Klopt, dat kon ik en dat deed ik, maar ik had dus géén vast aanspreekpunt, want ik moest telkens zoeken naar iemand die me kon helpen. Telkens afstemmen op de communicatiestijl van iemand anders. Telkens omgaan met adviezen die elkaar tegenspraken, want de een vond dit en de ander dat.