Vijfentwintig
Begrip hebben. Ik moest altijd begrip tonen.
“Het zijn toch je ouders.”
Hulpverleners aan wie ik later probeerde uit te leggen wat ik had meegemaakt, waarom ik een baksteen in mijn maag voelde als ik aan mijn ouders dacht, hoorden me niet.
Waarom niet? Omdat ik autisme had, mijn netwerk al klein was en we niet de weg in konden slaan die ervoor zorgde dat het nóg kleiner werd?
Niemand had oog voor wat de situatie met mij deed.
Het was altijd:
“Je ouders hebben geen kwade bedoelingen.”
“Hun hart zit op de juiste plek.”
“Ze bedoelen het goed.”
Etc.
Dat wéét ik, maar hóór me nou!
Alsof het niet uitmaakte hoe ik me voelde.
Pas toen ik kennismaakte met mijn huidige psycholoog vond ik begrip.