Zesentwintig

Na een jaar zette ik mijn ouders voor het blok. Ik had een studiootje gevonden en vroeg: kunnen jullie mij financieel ondersteunen zodat ik terug kan naar school? Ja, zeiden ze. Aarzelend zeiden ze ja.

Ik vond het verschrikkelijk om zo het huis uit te gaan. Geen fijne gesprekken waarin ik werd geholpen met het financiële stuk of wat er allemaal bij een verhuizing en op mezelf wonen kwam kijken. Ik heb het allemaal zelf uit moeten zoeken. 

Dit waren voor mij geen complimenten:

“Jij bent zo slim Ilse, jij bent zo zelfstandig, jij weet het allemaal zo goed!”

Ja, omdat ik het móést zijn.

Een half jaar later vertelden ze me tijdens de feestdagen dat ze op waren. Hun bedrijf was failliet, ze hielden het voor gezien, wilden verhuizen, een nieuwe start maken. 

Ik was net een paar maanden bezig op het volwassenenonderwijs, 5-6 vwo in één jaar, en mijn kerstcadeau bestond uit de onzekerheid of ik mijn huur wel kon blijven betalen. Ik was degene die hen moest uitleggen dat hun idee betekende dat ze diep in de schulden zouden belanden, wat ervoor zorgde dat de boekhouder werd gebeld. 

Als ik een terugkerend probleem moet aanwijzen is het hun wantrouwen richting hulpverlening. Niet op tijd aan de bel trekken, terwijl ze héél goed wisten dat er hulp nodig was. Nee, kop in het zand en maar door. Hopen dat het zich vanzelf een keer oploste.

De boekhouder greep in. Het was een fantastische man. Ik ben nooit vergeten wat hij toen tegen me zei: 

“Het is niet normaal dat jij het niet prettig vindt om naar huis te komen.” 

Dát was een mooi kerstcadeau.

Eindelijk wat erkenning. Eindelijk iemand die bevestigde dat het NIET normaal was hoe het er bij mij thuis aan toe ging.

Scroll naar boven