Honderdtwintig
Ik was verbijsterd. Stond met mijn mond vol tanden.
Trillend verliet ik het pand. Ik was zo emotioneel dat ik onderweg naar huis op een bankje ben gaan zitten. Ik zocht steun bij mijn jobcoach. Met moeite zocht ik naar woorden om te vertellen wat er was gebeurd.
Ik appte dat ik ervan was geschrokken dat zij zo waren geschrokken. Hij bevestigde dat, wat bij mij later tot de vraag leidde waarom hij mij daar van tevoren niet even voor had gewaarschuwd?
Onzeker schreef ik dat ik niet wist of ik er wel goed aan had gedaan om open te zijn, omdat ik meteen tegen vooroordelen aanliep. Ik zei dat het gesprek met de directeur rustig was verlopen, maar dat hij ook had gezegd…
Ik schreef dat ik even naar woorden moest zoeken.
Tijd om mijn zin af te maken kreeg ik niet. Hij onderbrak me: “Ja, maar daar zie ik niks ‘verkeerds’ in, toch?” Een reactie die ik verwarrend vond, wat me nog emotioneler maakte.
Ik maakte mijn verhaal af, vertelde dat de directeur het egoïstisch vond dat ik het had gedeeld en van mening was dat ik dat beter niet had kunnen doen.
Daar reageerde hij niet meer op en hij kwam er later ook niet meer op terug.
In de chaos werd ik alleen gelaten.
Hoe ik mezelf veilig thuis heb gekregen, weet ik niet. Het lukte me zoals het me altijd lukte. Ik was er voor mezelf.
Thuis barstte ik in tranen uit en zocht contact met mijn psycholoog. Na overleg met haar meldde ik me ziek.